Ansel VS211 Instrukcja Użytkownika Strona 16

  • Pobierz
  • Dodaj do moich podręczników
  • Drukuj
  • Strona
    / 321
  • Spis treści
  • BOOKMARKI
  • Oceniono. / 5. Na podstawie oceny klientów
Przeglądanie stron 15
15
kanten’, vw. nijsl. ‘door een diepte stroomend water’:
geil
f. ‘klove of heg met hoogten
aan weerskanten’ zou bij de bet. passen; mnd.
gole
,
göle
f.
goel
m. (denkelijk alle
met
ö
) ‘Sumpf, feuchte Niederung, mit Weiden oder schlechtem Holze bewachsen’
past formaal beter. Wellicht hebben zich een
i
- en een
u
-wortel vermengd; de
riviernaam
Geul
heeft oorspr.
u
; z. vooral Kluge
Gülle
en Noreen, Svenska
Etymologier 35-37.
GIETEN. Met
s
<
ss
on.
giósa
‘zich met geweld uitstorten’,
geysa
‘in heftige
beweging brengen’ (vgl. nijsl.
Geysir
). Gron.
goezen
(z. Molema, doch ook van
neerstroomenden regen) kan er mee ablauten; vgl. Genemuiden (Van de Schelde
tot de Weichsel I 573, '4)
de wiend zw pt g zend
(huilend) '
et waeter ... op tut an
de ... kuste; rôkwienden en vlaegen
,
die deur de skörst n g zen
(huilen); Fri. Wb.
gûzje
‘huilen, schreien, schreeuwen’; z. ben.
gooien.
GIST(EN).
Gist
heeft
i
naar
gisten
= mhd.
gisten.
Gron.
gest
,
gesten
(gerekte
è
);
fri.
gêst
,
gêste
met opvallende
g
: uit het sa.? Naast ohd.
jësan
saterl.
jäze
(prt. -
de
,
ptc. -
n
).
GISTEREN. Gaat men uit van een gen. als in got.
gistradagis
, of ook van een dat.
als in got.
himma daga
, dan komt men (vgl. ohd. g.d.
henin
bij
hano
) tot *
gistrin
>
gistren.
GLAS. Vgl. behalve wat Fr.-V.W. geeft nog mnd.
glar
, volgens Kluge met
â
, ‘hars’.
Ozwe.
glar
‘glas’ (en
glas
uit het du.). Wangeroog
gläs
kàn Uml. hebben. Os.
gles
heeft dien, naar *
glesîn
(IF 5,183), mnl.
g
(
he
)
lesewerkre
,
glesveinsteren
(ib.); het
adj. kon te eerder inwerken daar het omgekeerd *
glasîn
> mnl.
glasijn
naast zich
had gekregen.
Dial. GLEI. Zaansch
glei
‘glanzend’ (van zon of lucht, als de zon bij bewolkte lucht
sterk schijnt), gron.
glai
(bij Molema van het ijs, van een zweer; ik ken het als ‘opgezet
tot doorbrekens toe’, b.v. van winterhanden, terwijl men het ook wel eens hoort van
een ‘dikke janneverkop’; hierbij Mo.
glaaien
‘gloeien, glimmen’ - N.B. ook in
glai
is
de
a
lang), oostfri.
glei
(en
gleu
,
gloi
) ‘gloeiend, glansend, glad, glimmend’ (hierbij
gleien
(enz.) ‘gloeien’), N. Overijsel (Driem. Bl. 14, 84)
gleijen
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Przeglądanie stron 15
1 2 ... 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 ... 320 321

Komentarze do niniejszej Instrukcji

Brak uwag