80
deden, die het gebied van den zadelmaker raken, zag ik bewezen door een
advertentie in de 's Gravenhaegse Woensdaegse Courant van het jaar 1742, waarin
een behanger zich aanbeveelt voor het maken van ‘alle soorten van Nieuwmodische
Ledikanten en Lit d'Anges’ en tevens van veldtenten.
De overgang van
lit d'ange
in
ledanze
is, dunkt me, zeer natuurlijk.
C.H.PH. MEIJER.
50. Bredero's Moortje, vs. 2931.
In de aardige beschrijving van het ijsvermaak op den Amstel, in Bredero's
Moortje
,
wordt door vader Lambert onder de schaatsenrijders die hem voorbijkomen ook
genoemd:
droncke Keesje vande Slochter:
Mit zyn moye Tuyt-meyt, hier ouwe Japen Dochter.
Moltzer verklaart in de bekende Bredero-uitgave van Binger (2,115)
slochter
door
‘slager’ en Nauta neemt in zijne
Taalk. Aant. op de Werken v. Bredero
, § 6, deze
verklaring over.
Toch is het niet aannemelijk dat
slochter
een bijvorm van
slachter
zou zijn.
Ik vermoed dat we te doen hebben met een eigennaam. In verschillende deelen
van Noord-Holland vindt men wateren die
de Slochter
heeten, en naar een daarvan
zou ‘droncke Keesje vande Slochter’ genoemd kunnen zijn; er is er b.v. een tusschen
de Haarlemmer trekvaart en de Slotermeer bij Sloterdijk, en een ander onder
Landsmeer. Zie verder over dit woord mijn
Zaansch Idioticon
, kol. 939.
G.J. BOEKENOOGEN.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentarze do niniejszej Instrukcji