204
zonnebloem; een ander een krullelie met
roode, uitstekende knopjes; weer een
lerei, die Auszackung der Blätter, der
weiche Sammet, der leichte Duft, der auf
ander soort hing, met een lossen zwier,ihnen ruht, der ganze kunstreiche Bau
als linten aan de boomen; - O! hoe
bekoorde mij dit eenvoudig schoon!’
der Blumen, - wie viele abwechselnde
Belustigungen für das Auge!”
Dergelijke parallellen zouden bij tientallen aan te halen zijn.
De eerste lentedag.
Hirschfeld n
o
. 1. De lente is gekomen, bergen, wouden en kudden verkondigen
haren lof, de bloemen ontluiken. Nog éénmaal echter valt hagel en sneeuw, de
koude drijft de vogels naar hunne winterverblijven terug. Dan wint het voorjaar
voorgoed. Bij Post evenzoo, vgl. br. 15, 16, 17, 22, 23; nadat Emilia in br. 15 gejuicht
heeft over de eerste voorjaarsteekenen, blijkt in br. 16, dat die nog niet duurzaam
waren, totdat in br. 17 het voorgoed lente is. Hier is alles veel uitvoeriger behandeld.
Men lette op de ziekte en genezing der moeder van Euphrozyne (br. 18, 20, 21),
die hier symbolisch naast de inzinking en herleving der natuur geplaatst worden.
Dit is weer oorspronkelijk bij Post: de mensch in de natuur.
Een vèrgezicht.
In n
o
. 8 schrijft Hirschfeld, hoe hij voor de deur zijner woning zit en het ruime
landschap overziet. Hij geniet van de verscheidenheid der dingen: het vriendelijk
dal met den zilveren stroom door beboschte bergen omgeven, de lichte wolkjes,
die een spel van licht en schaduw teweegbrengen, het vee met zijne herders in de
weiden, de zwaluw in de lucht, de bedauwde bloemen en blâren overal. Vgl. Post
br. 26, waar zij van een heuveltop uitziet over weiden en akkers, over een slingerend
dal met breede rivier, waarachter bosschen, over kudden van koeien en schapen
enz. enz.
Zonsopgang en zonsondergang.
In n
o
. 10 schildert Hirschfeld achtereenvolgens het verschijnen en het verdwijnen
van de zon. Post beschouwt dienover-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentarze do niniejszej Instrukcji