22
daarmee op een met
wei
abl. vorm, met
h
- <
hw
- vóór
ô
als
hoest
e.a. Holl.
ui
(z.
Breeroo) kan fri. zijn; Kil.
hoy
,
hoey
holl. sicamb.; Teuth.
hoey.
Het ndl. wijst op een
m., het ndd. op een n.
ja
- st. *
hôi.
Vgl. het door Boekenoogen geconstateerd dubbel
genus van
wei.
HUID. Bij
schôte
brengt Zfda. 40,389
skauda
‘broek’ in got. a.s.
skaudaraip.
Abl.
gron.
sgoet
‘schort’, mv.
sgoeden
, opgevat als wat de kleeren, om ze schoon te
houden, bedekt. On.
skióþa
‘tasche’,
skauþer
‘scheide’. - Het ontbreken van Uml.
in ofri.
hûda
‘hoeden’ is, zooals V. Helten Zldaofri. opmerkt, op rekening te stellen
van den
ô
-st.
hûde
‘verwahr, obhut’.
HUIF. Molema vermeldt Westerwoldsch
huve
(i.v.
hude
) ‘bewaarplaats, verborgen
bergplaats’ en Ww.
iemhuve
, dre.
iemehuve
‘de plaats, waar de korven met bijen
des winters geplaatst worden, meestal onder eene soort van afdak in den tuin’. On.
húfr
m. ‘boeg van het schip’. Ook
hoofd
brengt men er wel toe, alsmede de familie
van
huppen.
HUNKEREN. Vgl. nwfri.
omhunkerje
‘onrustig loopen en zich met elkander bemoeien
van vee, veelal uit natuurdrift’ en ‘omhunkeren’.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentarze do niniejszej Instrukcji