294
lijnen, krullen met inkt of verf op papier maken; zooveel als: kribbelkrabbelen; ook
Oostfri.
’ [Ik vind het echter niet bij Ten Doornkaat Koolman, wel
margelen
‘klecksen,
sudeln, schmieren etc.’; de
r
kan op volksetym. berusten, vgl. b.v. Nl. Wb.
mergel
2
‘bagger, slijk uit grachten of waterloopen’.] Dre.
maggelen
‘morsen’, z. ben. Gallée
maggelen
‘knoeien’. Men mag dus een grondw. *
maggen
aannemen, welks bet.
‘morsen’ kan zijn, ook wegens Nl. Wb.
magge II
‘een vrouwenboezelaar, inz. in
Drente.’ Inderdaad geeft Dr. Volksalm. 1840 het als ‘wollen voorschoot,’ en die van
'44 als ‘voorschoot (vrouwenkleeding) te Hoogeveen,’ het met
maggelen
‘morsen’
verbindend;
magge
dus ‘morser’ = ‘wat tegen het morsen dient’; vgl. gron.
smodsgoed
bij Molema i.v.
smodden
; ook bij
boezelaar
van
boezelen
is te denken aan de bet.
‘morser’; vgl. nnd.
busseln
(z. Nl. Wb.).
MEENEN. Wangeroog
mein
, nwfri.
miene. Meenens
zal wel ptc. prs. met adv. -
s
zijn, zooals
nopens
,
wetens
,
willens.
Z. Nl. Wb. 9, 380 de al.
Het is meenens
of
gemeend
, inz.
Iet lachens zeggen en meinens doen
uit Corn.-Vervl.
Dial. MEIN subst. Hoogeveen enz.
main
‘meisje’ (ik kan thans slechts het vklw.
mainje
staven: Van de Schelde tot de W. I 614), Staphorst (Driem. Bl. 6, 84)
mein
‘id.’ bij ags.
maeʒden
,
máeden
n. (> eng.
maiden
) en ohd.
magetîn.
MEISJE. De
s
ook in
meiske
(
n
) in tongvallen die overigens geen
s
vóór den
verkleinuitgang kennen. Ook in de ndl. schrijftaal komt dit -
ske
anders slechts na
gutt. voor. De
s
kan bewaard zijn door invloed van (bewaard of verloren)
jongske
(
n
);
z. ook bij Van de Water § 46 l. al.
durskə
‘meisje’ met uitg. als
iungskə
; in zijn andere
vrb. staat
s
steeds na gutt. Zonder
s
Gallée en Draaijer
mèken.
MIK beteekent behalve ‘stuk brood’ ook een bepaalde, niet overal dezelfde, soort
van brood; b.v.N. Holl. ‘(snee) roggebrood’. Daar
micke
in 't mnl. een gaffelvormig
voorwerp is, maar verder in 't algemeen een paal (mnd. niet ‘paal’ of dgl.), zoo mag
men
m.
als brood verklaren op de wijs van hd.
Stolle
, dat b.v. Weigand omschrijft
als ‘Kuchen in Gestalt eines läng-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentarze do niniejszej Instrukcji